Open brief aan alle reformatorische kerken

refo

Hieronder een link naar een artikel op Cip.nl. Het is een open brief aan de reformatorische kerken, geschreven door een vrouw en moeder die bewogen is met diezelfde kerk. Vanuit die bewogenheid legt ze de vinger op de zere plek en doet ze een oproep om toch vooral de kern van de zaak in het oog te houden en te focussen op wat écht belangrijk is.

Een citaat uit het artikel:

Waarom mogen we eigenlijk zulke grote kerken, huizen, auto’s, dure kleding hebben? Dit mag blijkbaar gecombineerd worden met een zwaar geestelijk leven, terwijl de Bijbel spreekt over het gevaar van de mammon. Waarom hebben we de persoonlijke inwendige bekering uitvergroot, waardoor ons eenvoudige leven naar God en de redding van onze naaste er niet meer zo toe doet? Het is de achterliggende jaren gaan draaien om ónze bekering, ónze zondekennis, ónze rechtvaardigmaking.

Ten diepste geloven we niet in de waarheid na het sterven of geloven we in een vagevuur voor serieuze kerkmensen. Als we echt geloven in de ernst van de boodschap ná het sterven, dan zouden we God dag en nacht om genade smeken. Het is dus een ernstige schijnvertoning.

Ik heb de open brief met instemming gelezen. Hieronder de link:

Open brief aan alle reformatorische kerken

Advertenties

Recht uit het hart

Op mijn Spotify playlist staat ook black gospel – die vaak hele mooie muziek, recht uit het hart, over God, Jezus, troost, licht en uitzicht.
De onderstaande twee liedjes uit deze lijst vind ik een mooie combinatie:

1. I shall not be moved – Pops Staples

Een klassieker die waarschijnlijk nog uit de tijd van de slavernij stamt. Het nummer werd in de twintigste eeuw geadopteerd door de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en vervolgens in een iets gewijzigde versie gezongen bij protestmanifestaties, sit-ins en dergelijke.
Er bestaan nogal wat uitvoeringen van dit nummer. Johnny Cash zong het heel snel, Pops Staples doet het kalmer aan en die laatste versie vind ik mede daarom mooier.

 

 

2. Lord remember me – Ruthie Foster

Gezongen door Ruthie Foster en de Blind Boys of Alabama. De tekst is een vraag aan God, een smeekbede eigenlijk: vergeet mij niet, denk aan me, vooral als mijn levenseinde nadert.

 

In het eerste liedje de verzekerdheid, daarna de twijfel in het tweede nummer, zou je kunnen zeggen. Beiden zijn herkenbaar, beiden hebben hun functie, elk op zijn tijd.

Deze muziek uit het hart is een geschenk van zwarte mensen aan een overwegend blanke wereld.

 

Net uit

als je het lichtIk heb hem net uit: de meermaals bekroonde roman Als je het licht niet kunt zien van Anthony Doerr.

Een heel mooi boek, en dat terwijl ik normaal geen fictie lees. Want de meeste romans boeien me totaal niet, het blijft voor mij een verzonnen verhaal, iets wat voor mij te weinig raakvlak met de realiteit heeft.

Maar dat geldt dus niet voor Als je het licht niet kunt zien. Het verhaal is levensecht en boeide me van begin tot eind. Het is een verhaal uit de Tweede Wereldoorlog over twee mensen – een blind Frans meisje en een Duitse jongen met een technische knobbel. De jongen wordt uiteindelijk soldaat en belandt daarbij in bezet Frankrijk, in de woonplaats van het meisje, waarna een ontmoeting volgt.
Het boek eindigt in onze tijd, lang ná de oorlog, want het verhaal gaat verder met de overlevenden die hun herinneringen aan die donkere periode meedragen op hun verdere levensweg.

Een geboren verteller, die Anthony Doerr. Ik ben benieuwd wat deze man nog meer geschreven heeft.

 

Je bent nergens veilig

Ik zag een tijdje terug een natuurfilm op tv waarin te zien was hoe een boommarter twee eekhoorns te grazen nam. Het was lente, het paartje eekhoorns had de liefde in hun koppie en ze dachten waarschijnlijk veilig te zijn op het uiteinde van een tak hoog in de boom. Maar dat viel dus tegen.

Ik weet dat de natuur soms wreed is, dat wil zeggen: in mijn beleving, naar mijn beperkte menselijke maatstaf. Maar toch wordt ik telkens weer geschokt door dit soort opnamen van roofdier en prooi. Toen ik het zag, dacht ik: je bent als dier echt nergens veilig, zelfs niet in een boom hoog boven de grond. Overal loert gevaar, waar je ook bent, overal zijn roofdieren, kleine en grote – van de buizerd hoog in de lucht tot de sluipwesp beneden op de grond.

En dit geldt niet alleen voor de dieren, maar ook voor de mensen. Ook in ons bestaan is veiligheid een zeer betrekkelijk iets, een ‘state of being’ die zomaar, op het alleronverwachts, kan worden weggenomen door een roofdier in menselijke gedaante.
Zoals in het geval van Anne Faber die een eindje ging fietsen op een kwade dag. Ze stuurde onderweg nog een selfie naar haar vriend waarop ze een v-teken maakte. De regen deerde haar weinig, maar tegen een man met kwade bedoelingen kon ze niet op. De afloop is bekend, het leven van een jonge vrouw bruut beëindigd.
Vrouwen zijn nergens veilig voor mannen, want mannen hebben meer fysieke kracht, kracht die ze kunnen misbruiken op ieder door hen gewenst moment. Vrouwen zijn weerloos daartegen, tenzij ze een wapen bij zich dragen of een training fysieke weerbaarheid hebben gevolgd.

Het enige wat resteert is een petitie op internet, een eis om meer wettelijke bescherming tegen roofdieren als de moordenaar van Anne Faber. Ik heb hem meteen getekend.

Waar is God in dit soort dingen?? Een (wellicht) goed stuk over de afwezigheid/aanwezigheid van God hieronder, overgenomen van CIP.nl:

God is vaak meer afwezig dan aanwezig

 

Een mooi verhaal

Een mooi verhaal hieronder, over simpel geluk en een foute wetenschappelijke visie, van de schrijver Frank Westerman. Ik trof het aan in zijn boek In het land van de ja-knikkers (Verhalen uit de polder), wat dit jaar uitkwam.

vader en dochter

 

Papa, weet jij wat geluk is?

Op een dag waarop mijn dochter niet naar de creche ging, nam ik haar mee naar het Teylers Museum in Haarlem.
‘Kom, we gaan naar het schelpenmuseum.’ Eerder die week waren we een treinhalte extra blijven zitten en naar het strand gegaan om schelpen te verzamelen. ‘Ze hebben er ook heel bijzondere stenen. Fossielen heten die.’
Vera, bijna drieënhalf, kauwde even op de aangereikte woorden en vroeg toen: ‘Wat is dat, fossielen?’
We liepen van het station langs het Spaarne met uitzicht op de koepelgevangenis, Vera hoog op mijn schouders. Al drie keer had ik geroepen: ‘Niet je handjes voor mijn ogen’, waarna ze ze gierend van de lach terugschoof onder mijn kin, als het riempje van een helm.
Ik kwam voor één bepaald fossiel dat zich al twee eeuwen in het Teylers bevond. Wereldwijd stond het stuk bekend onder de naam ‘homo diluvii testis/de mens die getuige was van de zondvloed’, in 1725 ontdekt door de Zwitser Johann Jakob Scheuchzer.
Een fossiel is een afdruk, hoorde ik mezelf zeggen, van een plantje of een beestje in een steen. ‘Zoiets als van je voet in het zand.’
Dit schreeuwde om nieuwe vragen, maar voorlopig bleef het stil daarboven. De ‘zondvloedmens’ was strikt genomen niet eens een afdruk; het ging om een versteend geraamte. Zijn ontdekker Johann Jakob Scheuchzer was geneesheer te Zürich. Op de vraag ‘Wat zijn fossielen?’ zou hij hebben geantwoord: tekenen van Gods almacht. Of feitelijker: in rots gegrifte overblijfselen van de zondvloed. Hoe anders viel de aanwezigheid van schelpen, ammonieten en zoutwaterkreeften in de wanden van de Jungfrau of de Matterhorn te verklaren?
De enige lastigheid was dat er nooit eens een versteend mensenskelet in een rotswand werd gevonden. Een theologische verklaring luidde dat God de zondaars zelfs geen fossiele overleving had gegund, maar Scheutzer nam daar geen genoegen mee. Hij zocht en vond uiteindelijk – in een leisteengroeve bij de Bodensee – zijn homo diluvii testis. Bij wijze van toelichting schreef Scheutzer: Het treurige beendergeraamte van een oude zondaar, alzo in de zondvloed verdronken.
Vera en ik waren het museum binnengegaan en over krakend parket van de Eerste naar de Tweede Fossielenzaal gelopen. Ik had haar opgetild om een reuzenammoniet te bekijken. De vitrines lagen vol schelpen en kristallen, maar haar aandacht ging vooral uit naar een versteende moerasschildpad. Mijn dochter hield van schildpadden, ze deed graag na hoe ze kropen – wandelend op haar ellebogen met haar hoofd dicht bij de grond.
‘Is die nu dood?’
Ik kon niet volstaan met het voetafdrukverhaal. Ja, zei ik, maar hij is vast honderd jaar geworden. Honderd, wist Vera, was de leeftijd die opa’s en oma’s bereikten.
De volgende vraag ging over de hemel: of ook de dieren daarnaartoe gingen?
Nog maar kort geleden hadden we de hemel geïntroduceerd, toch maar, nadat ze opgewonden had verteld dat de opa van een vriendinnetje daarnaartoe was gegaan.
De dieren, besloot ik, konden daar ook nog wel bij.
Linksachter in de Tweede Fossielenzaal  vond ik Scheutzers zondvloedmens. Inventarisstuk 8432 was een zeegroene steen met een gelig gebinte – een wervelkolom, overgaand in een schedel met enorme oogkasgaten en hulpeloos bungelende armpjes.
Vindplaats: Oeningen.
Aanschaf: niet zonder veel moeilijkheden aangekocht voor 14 Louis d’or door Prof. Van Marum in 1802.
Vera was doorgelopen naar de Instrumentenzaal, maar ze kwam terug en wilde weten waar ik naar keek.
‘Een salamander.’ Ik nam haar op mijn heup en zei: ‘Kijk, zie je die twee voorpootjes, daar kroop hij mee over de grond.’
Bijna negentig jaar, om precies te zijn tot 1811, had de zondvloedmens als ‘mens’ voortgeleefd. Na Scheutzers dood was er voor het eerst wat voorzichtige twijfel gerezen. Leek dit skelet niet toch meer op dat van een meerval of hagedis? Uiteindelijk was het de ontleedkundige Georges Cuvier die de ‘diluviaalmensch’ publiekelijk zou ontmaskeren. Dit Franse genie, een minstens zo vrome protestant als Scheutzer, had al eens tijdens een openbaar college in Parijs aangetoond dat de harige ‘olifanten’ uit het ijs van de Siberische toendra geen door de zondvloed weggespoelde olifanten waren, maar leden van een aparte, uitgestorven soort – de mammoet. Bij een bezoek aan het Teylers in Haarlem evenaarde hij deze prestatie door het fossiel van de zondvloedmens verder uit te beitelen. Hij had een tekening van een salamanderskelet meegebracht en voorspelde de omstanders op welke plek er voorpootjes tevoorschijn zouden komen.
Dat gebeurde exact als voorzegd, en sindsdien kon je in de lege oogkassen van dit fossiel de religieuze verblinding aflezen van geleerden als Johann Jakob Scheutzer – een man van de wetenschap die door zijn geloof in God een amfibie voor een mens aanzag.

In het museumrestaurant lagen vruchtentaartjes met een laagje marsepeinglazuur onder een glazen stolp. Vera koos frambozen. We gingen aan een tafeltje zitten bij het raam en na drie slokken appelsap borrelde er een nieuwe vraag op. ‘Papa, weet jij wat geluk is?’
Ik lelepde het schuim van mijn cappuccino. Dit moment, wilde ik zeggen, maar ik zei: ‘Nou?’
Met haar gedachten elders trok ze het rietje uit het glas, waardoor er druppels sap in de rondte spatten. ‘Geluk is…als je op de creche bent…en je wilt de roze drinkbeker, dat je die dan ook krijgt.’

 

Copyright 2017 Frank Westerman

Uit de bundel: In het land van de ja-knikkers (Verhalen uit de polder), Frank Westerman, 2017, Querido Fosfor.

Een link naar de website van de schrijver

Father Father

Hieronder een gospelsong van een man die in 1914 werd geboren op een katoenplantage in Mississippi: Roebuck ‘Pops’ Staples.

Pops Staples ging later de muziek in en formeerde in 1948 de Staple Singers, een gospelgroep die behalve hijzelf bestond uit drie van zijn dochters en een zoon. Father Father komt van een soloplaat die in in 1994 uitkwam. In het achtergrondkoortje doet dochter Mavis Staples mee.
Pops Staples overleed in 2000.

 

De week

de week

De week na huwelijk en huwelijksreis moet ik weer in het ritme komen van werk en andere verplichtingen. Er zijn weer allerhande dingen die aandacht vragen: afspraken, telefoontjes, mailtjes die beantwoord dienen te worden, rekeningen die om betaling vragen.

De jaarnota van het energiebedrijf valt onverwacht hoog uit en we spreken af om de verwarming elke avond een uur voor bedtijd al op de nachtstand te zetten. Nadere bestudering van de factuur leert trouwens dat energiebelasting en btw bij elkaar opgeteld meer geld vragen dan het energieverbruik an sich. Ik ben een melkkoe van de overheid…

Mijn vaste klanten willen de tuin gedaan hebben. De maand oktober is inmiddels al volgeboekt; ik moet oppassen niet teveel hooi op mijn vork te nemen, mijn energievoorraad is beperkt. Maandag, dinsdag en donderdag zijn voor de baas en dan resteert alleen de vrijdag nog voor dit soort klussen, want de woensdag is om bij te tanken.

De volkstuin levert weinig meer op, de aardbeienplanten zijn bijna afgedragen, de spruitkool geeft vooralsnog alleen blad en geen spruitjes. De herfstasters staan mooi te bloeien, dat dan weer wel….

herfstasters
Herfstasters